Lonquén
Víctor Jara (1932-1973) groeide samen met zijn broers en zussen op in het dorpje Lonquén, zo’n 80 km ten westen van de hoofdstad Santiago. Zijn vader Manuel was een  inquilino, een straatarme pachter die als een soort slaaf moest werken op de uitgestrekte landerijen van een onmetelijk rijke herenboer. In die tijd was Chili het armste land ter wereld met de grootste inkomensongelijkheid: een derde van de bevolking leefde van bedelen en hulp van de kerk terwijl 1% van de bevolking meer dan 80 % van alle landbouwgrond bezat.
Het harde leven en de uitzichtloosheid ervan hadden Manuel verbitterd gemaakt. Het weinige geld dat binnenkwam verdronk hij. Soms kwam hij dagenlang niet thuis. Wanneer dat wel het geval was, was er ruzie: schreeuwen, schelden, slaan, nachtelijke stilte. Hij verliet uiteindelijk het gezin en liet de zorg daarvan over aan zijn vrouw Amanda.
Amanda was een kleine, gedrongen vrouw, half indiaans (Mapuche), zachtaardig, zorgzaam en in het bezit van een wonderlijke glimlach die haar hele gezicht verlichtte. Amanda hield het gezin bij elkaar, werkte dag en nacht en maakte de dagelijkse ontberingen draaglijk. Ze was ook volkszangeres en zong bij huwelijken, begrafenissen of tijdens de oogsttijd. Soms ging Víctor met haar mee.  Dat deed hij graag. Hij was enorm ontvankelijk voor muziek, maar ook voor verhalen over geesten en magie. Zijn leven lang zou hij de sporen van die bijgelovige achtergrond en een  gevoel voor magie met zich meedragen.
Población Nogales
Doordat Víctors oudste zus María een ongeluk kreeg  moest het gezin noodgedwongen Lonquén verlaten en verhuizen naar Santiago. María moest een jaar lang in een ziekenhuis in Santiago blijven om te herstellen en Amanda moest in de buurt zijn om haar te verzorgen.
Het gezin kwam in de sloppenwijk Nogales terecht. Wegen waren er ongeplaveid, vuile kinderen liepen rond op blote voeten, hongerige honden besnuffelden de rotzooi die op straat was gesmeten.  De rivier Mapocho, die dwars door Santiago loopt, overstroomde regelmatig de laaggelegen delen van Nogales. Mensen woonden er in houten krotten, dicht op elkaar. Lawaai, misdaad, ellende.
Moeder Amanda kon door extreem hard te werken – dagen van 16 uur waren standaard – een eigen eetkraam kopen op de centrale groentemarkt van Santiago, de Vega Poniente. De levensomstandigheden van de jonge Víctor verbeterden iets. Het gezin verhuisde naar één van de betere straten van Nogales, Calle Jotabeche. Dit was een stenen huis dat meer ruimte had dan de krotten waar ze voorheen hadden gewoond. Een eindje verder in de straat woonde een jongeman die klassiek gitarist was. Van hem leerde Víctor voor het eerst echt goed gitaar spelen.
Om uit de klauwen te blijven van de vele jeugdbendes werd Víctor door Amanda naar een kerkkoor in de buurt gestuurd.  De sacrale, mystieke kerksfeer, de wonderlijke Bijbelse verhalen en de gregoriaanse samenzang vonden een welkome voedingsbodem in de jonge Víctor.  Hij werd lid van Acción Católica, een beweging die zich ten doel stelde om jongeren en arbeiders op een christelijke manier bij het maatschappelijk leven te betrekken.
Priester in wording
In 1950 overleed Amanda door een hartaanval. Ze had zich letterlijk doodgewerkt.
Víctor was ontredderd en had geen idee wat hij nu met zijn leven aanmoest. De kerk voelde als een veilige plek. Hij trad dan ook toe tot een priesteropleiding.
Ofschoon Víctor zich met ziel en zaligheid op de opleiding stortte (hij werd al snel ‘Jara de Mysticus’ genoemd) verafschuwde hij de zelfkastijding waarvan werd geacht dat hij die toepaste om zijn eigen zondigheid de kop in te drukken. Begin maart 1952 verliet hij dan ook de priesteropleiding en trok in bij het gezin van zijn jeugdvriend Julio Morgado waar altijd wel een plekje was voor een verschoppeling zoals hij. Jarenlang zou hij zich nergens beter thuis voelen dan bij hen.
Theater
Víctor zocht werk en op een van zijn zwerftochten liep hij tegen een advertentie aan van het universiteitskoor waarin zangers gevraagd werden voor de productie van de ‘Carmina Burana’ van Carl Orff. Hij deed auditie en werd aangenomen als tenor in het, als monniken verklede, begeleidingskoor. Er ging een wereld voor hem open.
Binnen het universiteitskoor ontmoette Víctor een ander slag mensen: geletterd, geleerd, politiek geëngageerd en cultureel onderlegd.Hij raakte gefascineerd door mime en werd lid van de mimegroep van. Daar ontwikkelde hij zijn bijzondere bewegingsvaardigheid die hij van kinds af aan al had gehad. Door één van de leden van de mimegroep werd Víctor overgehaald om toelatingsexamen te doen voor de Theaterschool. Hij werd toegelaten, kreeg een kleine beurs en een toelage van Caritas (een katholieke hulporganisatie voor de derde wereld). Zijn leven kwam daarmee in een stroomversnelling. Op wilskracht en talent doorliep hij de Theaterschool, maakte vrienden voor het leven (Nelson Villagra, Alejandro Sieveking, Bélgica Castro), werkte in de zomervakanties op het platteland van de provincie Ñuble en herontdekte daar de volksmuziek van zijn moeder, raakte bevriend met Violeta Parra en haar kinderen Ángel en Isabel, raakte geïnteresseerd in de politiek en werd lid van de Communistische Partij.
Aan het einde van zijn opleiding regisseerde hij ‘out of the blue’ het eindexamenstuk van zijn opleiding: Parecido a la Felicidad (Iets zoals Geluk). Het werd een enorm succes en trok nationaal de aandacht van theatercritici. Geïnspireerd door dit succes schreef hij zich in voor de regieopleiding aan de Theaterschool. Binnen een aantal jaar groeide hij uit tot  één van de meest vooraanstaande toneelregisseurs van Chili. Zijn eindexamenstuk Ánimas de día claro (Geesten op klaarlichte dag), geschreven door zijn vriend Alejandro Sieveking, werd een internationaal succes. Het stuk bevatte alle elementen van de Chileense folklore waar hij zo dol op was en die hij maar al te graag theatraal wilde vormgeven. Bovendien kreeg hij een baan aangeboden als toneelregisseur aan de Theaterschool in Santiago. Zijn dagen van pure armoede waren voorbij.
Joan Jara
In de tussentijd had hij Joan Bünster Turner leren kennen, een Engelse die begin jaren vijftig naar Chili was gekomen om samen met haar toenmalige man te dansen en les te geven aan de Theaterschool. Samen met Joan, haar dochtertje uit haar eerste huwelijk (Manuela) en hun gezamenlijke dochtertje (Amanda), de huishoudster Monica, haar dochtertje Carola en het hondje Chuminga, vormde dit samengestelde Jara-gezin een niet alledaagse verschijning in de middenklasse-buitenwijk van Santiago waar ze een woning hadden gekocht.
Muziek
Ook muzikaal zat Víctor niet stil. Hij was eind jaren ’50 lid geworden van het folklore-ensemble Cuncumén waarmee hij beginjaren ’60 een tournee  had gedaan door Oost-Europese landen en voor het eerst had opgetreden als solo-artiest. Onder invloed van zijn grote voorbeeld Violeta Parra ging hij zich meer toeleggen op volksmuziek waarin mensen zich konden herkennen. Zijn jeugdherinneringen, maar ook zijn politiek engagement inspireerden hem om liedteksten te schrijven die duidelijk aandacht vroegen voor de armoede, uitbuiting en onwetendheid op het platteland.  Juist in de tijd openden de kinderen van Violeta, Ángel en Isabel, de Peña de los Parra: een plek waar volkszangers en politiek samenkwamen. In dit inspirerende culturele broeinest kwam Víctor definitief bovendrijven als ‘singer songwriter’.
Naast theaterregisseur en zanger werd Víctor ook artistiek leider van de muziekgroep Quilapayún en inspirator van de muziekgroep Inti-Illimani. Tezamen met deze zeer getalenteerde generatie musici ondersteunde hij de presidentskandidatuur van Salvador Allende Gossens. Allende was de politieke voorman van Unidad Popular, een verzameling van linkse partijen. Tot verbazing van velen won Allende, een charismatisch marxist, de presidentsverkiezingen van 1970. Het beloofde tijdperk van Chileens socialisme, ‘met de geur van empanadas en de smaak van rode wijn’, kon beginnen. Chili zou op een democratische manier worden teruggegeven aan het volk. Víctor Jara werd het culturele boegbeeld van deze ‘revolutie’.
Hij was inmiddels gestopt met toneelregie en spendeerde nu al zijn tijd aan de culturele verheffing van zijn volk en zijn land door middel van muziek.  Van zijn totale muzikale productie stamt 50% uit deze periode. Hij was letterlijk permanent bezet en werkte simultaan aan meerdere projecten. Als cultureel ambassadeur van Allende’s  Chili reisde hij het Latijns-Amerikaanse continent af en speelde op manifestaties, bijeenkomsten, festivals, demonstraties, kortom overal waar het volk zich liet horen en zien. 
Staatsgreep 11 september 1973
Door politiek amateurisme, radicalisering binnen de Unidad Popular en boycot tactieken van de VS mislukte het socialistisch experiment van Allende. Het Chileense volk raakte verdeelt, militairen werden onrustig en halverwege 1973 stevende Chili af op een burgeroorlog. Tegen de achtergrond van straatgeweld, brekend glas en explosies van traangasgranaten voorvoelde Víctor Jara zijn eigen dood en schreef Manifiesto, zijn laatste volledige lied.
Ik zing niet zomaar om wat te zingen
of omdat mijn stem zo mooi is.
Ik zing omdat mijn gitaar
gevoel heeft en verstand.
Mijn lied is er dus niet voor een vluchtige vleierij
of internationale roem.
Mijn lied is er voor dit strookje land, mijn land
tot in het diepst van de aarde.
Zijn voorgevoel bedroog hem niet.
Op 11 september 1973 pleegde het Chileense leger een staatsgreep, onder leiding van
Generaal Augusto Pinochet. Vanuit La Moneda, het presidentiële paleis, probeerde Allende nog  verzet te bieden tegen deze staatsgreep, maar tevergeefs. La Moneda werd gebombardeerd door de luchtmacht, iedereen gaf zich over. Over Allende wordt beweerd dat hij zelfmoord heeft gepleegd.
Víctor was die dag op de Technische Universiteit waar hij moest optreden. Doordat er een avondklok werd ingesteld kon hij niet meer terug naar huis. De volgende ochtend werd de universiteit bezet door militairen en Víctor werd gevangen genomen. Samen met 5000 anderen werd hij overgebracht naar Estadio Chile, een grote basketbalzaal. Bij binnenkomst werd hij herkend door een officier en apart gezet van de andere gevangenen.  In alle eenzaamheid werd hij meerdere keren beschimpt, geslagen en gemarteld en uiteindelijk in een kleedkamer  vermoord. Doorzeeft met 44 kogels.