Muziek

Lonquén
Muziek was al van kinds af aan een wezenlijk onderdeel van Víctors leven.  Zijn moeder Amanda was volkszangeres. Vanwege haar mooie, krachtige stem werd ze vaak gevraagd om te zingen bij huwelijken, begrafenissen of tijdens de oogsttijd. Als er een mogelijkheid was ging Víctor met haar mee. Vooral de begrafenissen van kleine kinderen maakten een diepe indruk op hem. De hele nacht werd er gezongen. Eerst plechtige religieuze gezangen (canto a lo divino) om contact te krijgen met de godenwereld en om de ouders te troosten met hun verlies; tegen de ochtend de meer aardse liederen (canto a lo humano), waarin het dagelijkse leven centraal stond. Muziek was een instrument om hemel en aarde te verbinden.
Población Nogales
Later, in de sloppenwijk Nogales, had Amanda geen tijd meer voor gitaarspelen en zingen. Bovendien vroeg niemand haar om te zingen. Nogales was niet de plek voor rituele gezangen bij geboorte en dood, laat staan voor oogst- en zaaifeesten. En vrijwel iedereen had een radio, waardoor er nauwelijks nog vraag was naar live muziek. Amanda’s gitaar stond er ongebruikt bij. Víctor experimenteerde er naar hartenlust op. Puur op het gehoor ontdekte hij akkoorden en melodieën en maakte zo zijn eerste liedjes.
Verderop in de straat woonde Omar Pulgar , een leerling klassiek gitaar. Víctor stond vaak te luisteren als Omar oefende. Na een poosje stelde Omar voor om hem les te geven. ‘En wat leerde hij snel! Heel snel. En alles op gevoel en gehoor.’
Priesteropleiding
Toen hij na de dood van zijn moeder wegvluchtte voor zijn verdriet in een priesteropleiding, dompelde hij zich daar ook het liefst onder in de muziek. Pater Fernando Ortega: ‘Vooral het largetto van de 2e symfonie van Beethoven was een van zijn lievelingsstukken. Ook tijdens het zingen van psalmen was duidelijk te zien dat Jara de poëzie, de schoonheid en de emotie van deze liederen begreep en waardeerde. Vaak zong hij hele stukken met de ogen dicht mee.’
Violeta Parra
Tijdens zijn studie aan de Theaterschool (1956-1961) maakte hij kennis met de grote volkszangeres Violeta Parra. Víctor was een bewonderaar van haar en bezocht vanaf begin 1957 dan ook regelmatig haar stamcafé, Café Sao Paulo, schuin tegenover de school. Er ontwikkelde zich een diepgaande vriendschap. Regelmatig kwam hij bij haar thuis, waar ze urenlang zongen, gitaar speelden en praatten. Haar muziek raakte een gevoelige snaar bij hem. Violeta kwam immers uit dezelfde streek als zijn moeder; ze kende en speelde de muziek die zijn moeder zong toen hij klein was. Violeta, op haar beurt, herkende als één van de eersten het muzikale talent van Víctor. ‘Hij wordt de grootste volkszanger van Chili’, merkte ze terloops op tegen haar dochter Isabel. ‘Blijf hem volgen, waarheen hij ook gaat’.
Cuncumén
Door Violeta leerder hij Rolando Alarcón kennen, de oprichter van een bekende folkloristische muziek- en dansgroep. Víctor werd lid van Cuncumén. Tijdens een tournee van deze groep door Europa in 1961 trad hij voor het eerst op als solozanger. Op het eind van dit tournee maakte Víctor het lied Paloma Quiro Contarte (Mijn lief, ik wil je vertellen). Hij schreef het voor zijn grote liefde Joan Turner. Een van de leden van Cuncumén, Mariela Ferreira: ‘Dagen achtereen liep hij het te neuriën totdat hij op een gegeven moment om mijn recorder vroeg om het op te nemen. De eerste keer dat hij het live zong was voor Radio Moskou. Het verscheen ook op de plaat van Cuncumén die in 1962 uitkwam. Het was het eerste liedje dat hij op basis van zijn eigen levenservaringen schreef.’
Peña de los Parra
Tijdens zijn actieve toneelperiode schreef hij vaak de muziek voor de toneelstukken die hij regisseerde. Joan Jara: ‘Naarmate ik hem beter leerde kennen, werd mij duidelijk hoe levensnoodzakelijk muziek voor Víctor was en hoe belangrijk zijn gitaar. Ik ben wel eens jaloers geweest, omdat zijn gitaar bijna een ander persoon voor hem was waarmee hij zijn intimiteiten deelde.’
Vanaf eind 1965 trad Víctor op als solo-artiest in de Peña de los Parra, de plek in Santiago waar volksmuziek en politiek samenkwamen. Hij werd er, samen met de initiatiefnemers Ángel en Isabel Parra (kinderen van Violeta) een van de grondleggers van De Beweging van het Nieuwe Chileense Lied (La Nueva Canción Chilena). Pas in 1965 bracht hij, na lang aandringen van anderen, zijn eerste plaatje uit, El Cigarrito. Het werd een hit en Víctor ontving hiervoor, op het festival van Viña del Mar, een prijs voor de populairste plaat van het jaar.
In 1966 verscheen zijn 2e plaatje, La Beata, een komisch volksliedje met typisch Chileense dubbelzinnigheden, waarin de draak werd gestoken met de passie van een overdreven godsdienstige dame voor haar biechtvader. De gevestigde orde vond het nummer schaamteloos en oneerbiedig: veel radiozenders weigerden het plaatje te draaien en via zijn woordvoerder eiste nota bene president Frei dat het uit de handel werd genomen en dat de moedertape moest worden vernietigd.
Víctor Jara (1966)
In 1966 verscheen eindelijk zijn eerste soloplaat, die simpelweg Víctor Jara heette. Deze plaat bevatte allemaal liederen die qua melodie geënt waren op de volksmuziek uit Ñuble, de geboortestreek van zijn moeder. De teksten waren autobiografisch en gingen over mensen en gebeurtenissen die hij als kind had gekend of meegemaakt: over de afgestomptheid van zijn vader en de hoop op een beter leven (El arado); over priesters die mensen angst inboezemden en landarbeiders afpersten onder bedreiging van hel en verdoemenis (Qué saco rogar al cielo?); over de liefde tussen twee mensen die belangrijker was dan religie (Deja la vida volar); over de woede naar zijn vader (La luna siempre es muy linda); over onmacht en bittere armoede (Canción de cuna para un niño vago). Dit waren liederen waarin de onrechtvaardige levensomstandigheden doorklonken van de mensen waar tussen hij was opgegroeid. Liederen die overduidelijk afkomstig waren van een jongen van het platteland die zijn geboortegrond met zich meedroeg en dan ook met recht cantos de la tierra (liederen van het land) genoemd mogen worden.
Quilapayún
Halverwege 1966 liep Víctor de leden van de muziekgroep Quilapayún tegen het lijf. Ze vroegen hem hun artistiek leider te worden. Víctor stemde toe en zou dit blijven tot eind 1969. Het werken met deze groep stimuleerde Víctors ontwikkeling op het gebied van samenzang en muzikale choreografie enorm. Hij werd gedwongen om na te denken over andersoortige harmonieën en melodieën. Onder invloed van hun jeugdig, revolutionaire elan veranderde ook de toon van zijn eigen muziek. Zijn cantos de la tierra werden cantos de rebeldía (verzetsliederen). Canción del Minero (over het leven van de gemiddelde mijnwerker) en El Aparecido (over het leven van Che Guevarra) waren hier voorbeelden van.
Desde Lonquén haste siempre (1967)
In 1967 verscheen zijn tweede plaat, een titelloos album waarvan de remake later bekend zou worden als Desde Lonquén haste siempre. Naast het meer revolutionaire karakter van zijn teksten was opvallend dat de muziek een Latijns-Amerikaanse vibe kreeg. Er klonken invloeden uit Argentinië, Mexico, Uruguay en Venezuela door.
Pongo en tus manos abiertas (1969)
Nagenoeg alle nummers op deze plaat verwezen naar een revolutionair Latijns-Amerika, zoals het openingsnummer A Luis Emilio Recabarren (ode aan Luis Emilio Recabarren, de grondlegger van de Chileense Communistische Partij),  Preguntas por Puerto Montt (over een schietpartij in de stad Puerto Montt waarmee de politie een einde had gemaakt aan een toma, (landbezetting) en Opvallend was dat Víctor in een aantal nummers gebruikmaakte van Cubaanse ritmes (son).  Andere Chileense musici zouden zijn voorbeeld volgen.
El Primer Festival de La Nueva Canción Chilena (1969)
Op 12 juli 1969 werd het eerste festival gehouden waarbij de steeds populairder wordende volksmuziek van La Nueva Canción Chilena centraal stond. Víctor speelde, ondersteund door Quilapayún, het lied Plegària a un Labrador (Bede tot een arbeider). Het was een symbolisch lied, een oproep tot verzet verheven tot een ‘Onze Vader’. Hij won er de eerste prijs mee. Hij werd nu meer zanger dan toneelregisseur. Na dit festival brak er een nieuwe fase aan voor Víctor. Hij verbrak  de samenwerking met Quilapayún omdat hij  niet meer gebonden wilde zijn aan een vaste groep, maar de vrijheid wilde hebben om te experimenteren met andere musici, instrumenten en arrangementen. Vrijheid van handelen was ook de reden waarom hij stopte met optreden in de Peña de los Parra. Het was voor hem nu duidelijk dat zijn muziek de peñas was ontgroeid. Het voelde als preken voor eigen parochie en het begon frustrerend te worden om ieder weekend in Santiago te moeten zijn, terwijl hij voelde dat de boodschap van zijn lied elders veel meer nodig was.
Canto Libre (1970)
De presidentsverkiezingen van september 1970 stonden voor de deur. Alle linkse partijen waren verenigd in de Unidad Popular en hun kandidaat, Salvador Allende, gooide hoge ogen. Víctor had, samen met Sergio Ortega en de groep Inti-Illimani het strijdlied geschreven voor de Unidad Popular: Venceremos.
Het aanstekelijke optimisme van die tijd is te horen op Canto Libre. Inhoudelijk was de plaat een vervolg op Pongo en tus manos abiertos, namelijk een mix van eigen werk en Latijns-Amerikaanse melodieën en composities. Zo was La Ventolera een eigen instrumentale compositie en een mooi staaltje samenwerking tussen Víctor, Horacio Salinas (Inti-Illimani) en Patricio Castillo (Quilapayún). Ook stonden er nummers op die Víctor al eerder had geschreven, zoals Ángelita Huenumán, zijn ode aan een Mapuche vrouw, die hij in 1967 had ontmoet tijdens een van zijn rondreizen door midden-Chili, waarvan hij prachtig weefwerk had gekocht.
Inti-Illimani
Víctor vroeg de groep Inti-Illimani om hem bij een aantal nummers op Canto Libre te begeleiden, zodat de plaat een meer Latijns-Amerikaans geluid zou krijgen. Víctor had de groep leren kennen toen hij tussen 1966 en 1968 de peñas van Chili afreisde. Hij vond hun arrangementen en hun keus aan instrumenten prachtig. Ze gebruikten veel Peruaanse en Boliviaanse muziekinstrumenten als quena, charango en zampoña. Later zouden ze ook nog de Colombiaanse tiple binnen de Chileense volksmuziek introduceren.
Inti-Illimani zou Víctor blijven ondersteunen bij zijn muzikale projecten tot aan zijn dood. Víctors omgang met hen was informeel, vriendschappelijk zelfs. Vooral met de jonge Horacio ‘Loro’ Salinas, de latere muzikale leider, kreeg hij een hechte band. ‘Loro’: ‘Víctor verstond de kunst om nieuwe muzikale ontwikkelingen te starten en deze tegelijkertijd te plaatsen binnen het kader van de Chileense volksmuziek. Het was opvallend dat ik, als knulletje van achttien, geen enkel leeftijdsverschil voelde met Víctor, die toen toch al dik in de dertig was. Hij had een lichamelijk aspect dat hem onderscheidde van de meeste mensen om hem heen; hij straalde een bepaalde rock look uit, dat maakte hem ook aantrekkelijk voor jonge muzikanten zoals ik.’
El derecho de vivir en paz (1971)
Op dit meesterwerk, Het recht om in vrede te leven, kwamen alle invloeden, interesses en muzikale stromingen samen die Víctor tot zo’n bijzondere muzikant maakten. Een keur van artiesten nam deel aan de productie van dit album: Ángel Parra, Inti-Illimani, Patricio Castillo, maar ook de klassieke componist Celso Garrido Lecca en de popgroep Los Blops,  een Chileense muziekgroep, die experimenteerde met rockmuziek die geïnspireerd was op The Doors. Met hen werden voor het eerst elektrische gitaren en synthesizers geïntroduceerd binnen La Nueva Canción Chilena. Oudere, gedragen nummers als Plegaria a un labrador en El alma llena des banderas werden afgewisseld met het prachtige instrumentaal La Partida, schelmse volksliedjes als  Ni chicha, ni limona en tropische ritmes zoals op A Cuba. Op deze plaat schakelde Víctor over van ‘verzet tegen’ naar ‘hoop op’. Duidelijk was dat de nieuwe frisse politieke wind, die met de verkiezing van Salvador Allende door het land waaide, zijn weerslag had op Víctors muziek. Een nieuwe, open samenleving met kansen voor iedereen lag binnen handbereik.
 La Población (1972)
Kunstenaars moeten niet neerkijken op, maar juist opklimmen naar het volk. Het is onze taak het volk te geven wat het toekomt, namelijk zijn eigen culturele wortels. Echte volkscultuur heeft tijd nodig om tot rijping te komen’.  – Víctor Jara
Víctor ging op pad door de sloppenwijken (poblaciones) van Santiago, gewapend met een bandrecorder en gitaar. Hij interviewde talloze mannen en vrouwen. Hij luisterde naar hun verhalen over het ontstaan van die wijken, over de strijd voor drinkwatervoorziening en elektriciteit en de doden die daarbij waren gevallen. Deze verhalen over het recht op een menselijk bestaan, bundelt hij tot een nieuwe plaat:
La Población.
Víctor vroeg zijn theatervriend Alejandro Siéveking om hem te helpen met de structuur van het album en met de tekst van een aantal nummers. Wederom nam een keur van artiesten deel aan dit opzienbarende concept-album. Geïnspireerd door het studiowerk van de Beatles laste Víctor geluidsopnames in die hij in de poblaciones had gemaakt. Deze gaven de plaat het karakter van een dramatisch hoorspel. Op La Población kwamen de twee hoofdlijnen van Víctors werk, toneel en muziek, samen. Het maakt de plaat uniek binnen het werk van Víctor, maar ook binnen de Chileense muziekhistorie.
Laatste werk
In de laatste maanden voor de staatsgreep van 11 september 1973 verkeerde Chili in een staat van burgeroorlog. Toch werkte Víctor, ogenschijnlijk onaangedaan, stug door tegen de achtergrond van kreten op straat, bedreigingen, het geluid van brekend glas en explosies van traangasgranaten. Meerdere keren per week ging hij dwars door rellen heen naar zijn werk. Zijn antwoord op deze situatie was een lied dat profetisch zou blijken te zijn: Vientos del Pueblo. De tekst was gebaseerd op een vers van Miguel Hernandez, zijn favoriete Spaanse dichter. 
En, hoe paradoxaal ook, tegelijkertijd werkte hij aan het album Canto por Travesura (Guitige liedjes), dat juist een collectie grappige, obscene boerenliedjes bevatte uit het zuiden van Chili. Met dit album wilde hij mensen weer aan het lachen maken. Het waren weliswaar sombere tijden, maar volgens Víctor waren Chilenen van nature vrolijk en hadden gevoel voor humor; ze moesten die volksaard gewoon weer naar boven laten komen.

In Manifiesto
, het laatste volledige lied dat Víctor schreef, verklaarde hij waarom hij zong en wat de rol van muziek moest zijn in de samenleving die hij voor ogen had. Het werd zijn testament. Joan Jara: ‘Ik twijfel er niet aan dat Víctor zijn dood voorvoelde. Hij had in toenemende mate last van nachtmerries, waarin hij badend van het zweet wakker werd of het uitschreeuwde alsof hij in doodsstrijd verkeerde. Ik geloof zelfs dat hij wist hoe hij zou omkomen. Je kunt dat bewustzijn voelen in al zijn laatste liederen; hij maakte er zelfs grapjes over.