Theater

Mime
Gevoel voor  vorm, beweging en fantasie waren van kinds af aan aanwezig bij Víctor. Het was via de muziek dat Víctor in aanraking kwam met mime. Op een van zijn zwerftochten op zoek naar werk liep Víctor eind 1953 tegen een advertentie aan van het universiteitskoor waarin zangers gevraagd werden voor de productie van de Carmina Burana van Carl Orff in het Teatro Municipal (Stadschouwburg). Hij deed auditie en werd aangenomen als tenor in het begeleidingskoor. Door deze optredens  kreeg Víctor tijdelijk gratis toegang tot het Teatro Municipal. Hij raakte geïnteresseerd in andere voorstellingen en werd een regelmatige bezoeker. Op een dag zag hij een uitvoering van de mimegroep van Enrique Noisvander. Víctor was onder de indruk van deze theatervorm. Na afloop van de voorstelling ging hij naar de kleedkamer en vroeg aan Noisvander of het mogelijk was om in zijn gezelschap te komen spelen. Enrique liet hem auditie doen en was direct overtuigd dat hij met een natuurtalent te maken had.
Theaterschool
Een van de spelers van de mimegroep haalde Víctor over om in maart 1956 toelatingsexamen te doen op het ITUCH (Instituto del Teatro de la Universidad de Chile), de Theaterschool van de Universiteit van Chili en de enige officiële toneelschool in Chili. Hij werd aangenomen en viel daarmee met zijn neus in de boter. Het ITUCH had namelijk in deze jaren een aantal uitzonderlijke talenten rondlopen die allemaal een groot aandeel zouden krijgen in de bloei van de Chileense theater- en filmwereld in de jaren ’60.
De overgrote meerderheid van deze lichting was van gegoede of zelfs rijke komaf; iemand met Víctors achtergrond was een uitzondering. Hij kreeg dan ook een kleine beurs en een toelage van Caritas, een katholieke hulporganisatie voor de derde wereld. Daarmee redde hij het (soms).
Gedurende zijn opleiding maakte hij vrienden voor het leven. Allereerst was dat Nelson Villagra, de latere acteur, schrijver en filmregisseur. Later kwamen daar ook Allejandro Sieveking (de latere toneelschrijver, theaterdirecteur en acteur) en Bélgica Castro (een vermaard Chileens toneelspeelster) bij. Met deze twee vormde hij jarenlang een ijzersterk trio als schrijver-regisseur-speelster, door jaloerse collega’s ook wel de Castro-Clan genoemd.
Regisseursopleiding
Door omstandigheden gedwongen regisseerde Víctor in september 1959 het eindexamenstuk van zijn toneelklas. Het was een stuk dat Alejandro Sieveking had geschreven, Parecido a la Felicidad. Het bleek een onverwacht groot succes, dat zelfs internationaal de aandacht trok. Een tour van 6 maanden (!) volgde door Uruguay, Argentinië, Venezuela en Cuba.
Geïnspireerd door dit succes besloot Víctor op het ITUCH te blijven en door te leren voor toneelregisseur. Als acteur had hij wel enige bijval geoogst, maar echt op zijn gemak had hij zich nooit gevoeld. Met het regisseurschap lag dat anders; zijn intuïtie zei hem dat daar zijn voorland lag. Voor anderen om hem heen was dat al langer duidelijk. Bélgica Castro: ‘Víctors kracht lag in het regisseren.’
Dit bleek toen hij eind 1961 eindexamen deed voor zijn regieopleiding met een stuk dat was geschreven door Alejandro Siéveking, genaamd Ánimas de día claro (Geesten op klaarlichte dag). Vanaf het eerste moment dat Víctor het las, was hij er verliefd op. Het bevatte alle elementen die hem de kans gaven om de essentie van de Chileense folklore theatraal vorm te geven.  Naast de regie schreef Víctor ook de muziek voor dit stuk en leerde de acteurs verscheidene volksdansen. De uitvoering werd een daverend succes. Recensenten waren van slag toen ze doorkregen dat dit een eindexamenstuk was en niet een professioneel stuk van een gelouterde regisseur. Op basis van dit stuk kreeg Víctor een baan aangeboden bij het ITUCH als vaste regisseur.
El Círculo de Tiza Caucásico
Met Ánimas de día claro was Víctors naam als regisseur gevestigd. Toen het ITUCH de gerenommeerde Uruguayaanse regisseur  Atahualpa del Cioppo eind 1963 uitnodigde voor een gastregie, was de voorwaarde waaronder hij toestemde dat Víctor Jara zijn assistent zou worden. Ze kozen voor een uitwerking van een stuk van Bertolt Brecht, El Círculo de Tiza Caucásico, de Kaukasische Krijtkring.  De keuze voor dit ‘marxistische stuk’ wekte veel beroering. Met een roerige presidentsverkiezing (1964) in het vooruitzicht werd de uitvoering van El Círculo door de belangrijkste toneelgroep van het land als een politiek daad gezien.
Dúo
Begin 1964 regisseerde Víctor Dúo (Duet), geschreven door Raúl Ruiz en gespeeld door La Compañía de los Cuatro. De keuze voor dit alternatieve stuk gaf de ontwikkeling aan van Víctor tot een creatief en andersdenkend regisseur. Hij wilde graag de korte, vreemde verhalen van Ruiz vormgeven op het toneel. Dúo gaat over een oude landeigenaar die aan zijn rolstoel was gekluisterd en langzaam leek te ontbinden. Hij werd bijgestaan door een oude knecht, die al even afgeleefd was als hijzelf. De landeigenaar riep alsmaar om zijn verrekijker om vervolgens het publiek te bekijken alsof het zijn landgoed was. Voor Víctor stond de man symbool voor de tanende kracht van de heersende grootgrondbezitter, die angstvallig zijn eigendom en voorrechten beschermde.
Los Invasores
In zijn theaterwerk zocht Víctor naar thema’s waarin het gewone volk een hoofdrol speelde en waarin hij zijn politieke visie kwijt kon. Een uitgelezen mogelijkheid daartoe was de opdracht die hij in 1964 kreeg om een stuk te regisseren dat Los Invasores (De Indringers) heette en was geschreven door de Egon Wolff.  Los Invasores gaat over een burgerlijk gezin dat zijn deftige huis overrompeld zag worden door aardige bedelaars en schooiers. Ze plantten aardappelen in de grasperken, smolten kandelaars om tot lepels, enzovoorts. Bestaande machtsverhoudingen werden op hun kop gezet. Terwijl Egon met Los Invasores nadruk wilde leggen op het gevoel van onveiligheid van het burgerlijke gezin, wilde Víctor het stuk zo regisseren dat de sympathie van het publiek zou uitgaan naar de arme indringers.  Egon  verweet Víctor dat hij het stuk verdraaide en gebruikte als verkapte propaganda voor Allende. Víctor haalde bakzeil, maar nam zich voor om bij het regisseren van theaterstukken nooit meer iets doen dat tegen zijn politieke overtuiging zou indruisen.
La Remolienda
Niet lang daarna werd Víctor door Alejandro Sieveking gevraagd een komedie te regisseren die geïnspireerd was op het boerenleven en waarin de draak werd gestoken met de vooroordelen die het gros van de Chilenen had over plattelandbewoners, La Remolienda (Het Bordeel). La  Remolienda verhaalt over een moeder die met haar drie zoons op een afgelegen plek in het zuiden van Chili woonde. Op een dag besluit de moeder dat het tijd wordt dat haar kinderen de wereld buiten de boerderij leren kennen en neemt ze mee naar het dichtstbijzijnde dorp. Daar worden de jongens voor het eerst van hun leven geconfronteerd met andere mensen en met zaken als elektriciteit en telefoon.  Ook leren ze drie meisjes kennen waar ze verliefd op worden. Wat ze niet weten, is dat de meisjes prostituees zijn die werken in het plaatselijke bordeel. De meisjes worden door de jongens als prinsessen behandeld. Ze zijn deels verbouwereerd, deels geëmotioneerd door de onschuldige liefde van de jongens, die geen weet kunnen hebben van hun verleden en hun beroep. La Remolienda is vooral een verhaal over onschuld en onbevangenheid.
Víctor verrijkte het stuk met talloze details uit het boerenleven zoals hij dat kende, zoals de typische humor van de boeren, vol raadsels en dubbelzinnigheden. En natuurlijk maakte hij ook de bijbehorende muziek en leerde de acteurs en passant een aantal volksdansen.Hij won er twee belangrijke prijzen mee: El Laurel de Oro, een prijs uitgeloofd door het dagblad El Clarín en Radio Pacifico, en de Premio de la Crítica del Circulo de Periodistas, een felbegeerde prijs waarmee journalisten het cultuurtalent van het jaar beloonden.
LaMaña
Víctor sleepte ook een theaterprijs in de wacht voor zijn regie van The Knack (De Kneep), een stuk van de Britse toneelspeelster, theaterdirecteur en schrijfster Ann Jellicoe. Het onafhankelijk toneelgezelschap ICTUS vroeg hem om dit stuk te vertalen in het Spaans (La Maña) en tevens te regisseren. Het was een weerzien met oude bekenden: Nelson Villagra en Fernando Bordeu, de man die Víctor negen jaar daarvoor had overgehaald zich in te schrijven bij het ITUCH. The Knack speelt zich af in het Engeland van de vroege jaren ’60 waarin de verhoudingen tussen man en vrouw sterk aan het veranderen waren. Het gezin stond niet meer centraal, een jeugdcultuur met drang naar seksuele vrijheid kwam op, er waren mods en rockers.
Víctor liet de psychologische ontwikkeling van de karakters over aan het oordeel van de spelers, maar was uitermate duidelijk over de lichamelijke aspecten van de karakters. Deze moesten een duidelijk zichtbaar lichamelijke ‘klik’ hebben. Nelson Villagra: ‘Víctor lette daarbij sterk op zaken als te dichtbij staan of juist te ver af, op de manier waarop we opkwamen of afgingen, op welke manier iemands karakter fysiek werd neergezet. Hij was daar erg vasthoudend in. Een sterk punt.’
La Casa Vieja
Dat deze vasthoudendheid ook tegen hem kon werken was te zien in zijn regie van La Casa Vieja (Het Oude Huis – 1966), geschreven door een Cubaanse dramaturg. La Casa Vieja speelde zich af op het Cuba van na de revolutie. De hoofdpersoon was jaren geleden zijn ouderlijk huis ontvlucht om architectuur te gaan studeren in Havana, maar nu zijn vader op sterven lag, keerde hij terug naar het huis van zijn kindertijd, waar zijn ouders, broers en zussen nog steeds woonden. Zodra hij binnenkwam in het ouderlijk huis, begon een schuldgevoel aan hem te knagen. Hij was geen goede zoon geweest voor zijn vader, maar het was te laat om dit nog goed te maken. Met het overlijden van zijn vader worden oude wonden binnen het gezin opengereten.
Víctor wilde dat het Cubaanse platteland  goed werd neergezet en ging daarbij gedetailleerd te werk. Té gedetailleerd. Zijn herinneringen aan het eiland, opgedaan tijdens het tournee met het stuk Parecido in 1960, vormden een bijna obsessieve leidraad. Het werd dan ook een slechte regie.
Marat/Sade
Dankzij een uitwisselingsprogramma tussen de Universiteit van Chili en de Universiteit van California ging de bekende Amerikaanse regisseur William Olivier in 1966 bij het ITUCH aan de slag met het toneelstuk Marat/Sade. Olivier vroeg Víctor om zijn assistent-regisseur te zijn. Het was een vreemde gewaarwording voor Víctor om te werken onder een man die iedere acteur – en dat waren er zo’n 40 – dagelijks een uitgetikt commentaar gaf op hun vorderingen en minutieuze suggesties deed voor verbeteringen van hun spel. Víctor vond het bijzonder en amusant om mee te maken, maar zou niets overnemen van deze werkwijze. Hij droeg wel het idee aan om een aantal acteurs al te laten spelen voordat de voorstelling daadwerkelijk begon. Olivier vond dit fantastisch en Alejandro Sieveking werd gevraagd teksten te schrijven voor tien personages die zich een halfuur van te voren tussen het wachtende publiek buiten het theater mengden.
VS / Engeland
Víctor was inmiddels een gerespecteerd regisseur was geworden die ook internationaal  waardering kreeg.  La Remolienda, vertaald als The Bawdy Party, werd vertoond in Los Ángeles, San Francisco en New York . Het ITUCH werd in 1968, als onderdeel van een uitwisselingsovereenkomst uitgenodigd door de Universiteit van California. Víctor maakte deel uit van de ITUCH-delegatie die een aantal weken in California verbleef, het episch centrum van de hippiebeweging. Hij probeerde tijdens deze theatertour ook contact te leggen met het jeugdige hippiepubliek, maar merkte dat zijn boodschap niet echt doordrong. Zijn conclusie was dat de hippiebeweging op politiek vlak naïef was. De ‘flower power’ kwam op hem niet over als een revolutie, maar als een vlucht. Daarna vloog hij, samen met Joan, door naar Engeland, waar hij was uitgenodigd door de Britse Raad voor Cultuur (British Council) om tijdens een uitgebreide stage van vier maanden (!) mee te lopen als theaterregisseur bij een aantal gerenommeerde gezelschappen waaronder de Royal Shakespeare Company in Stratford-upon-Avon.
Entertaining Mr. Sloane
Halverwege 1968 nam Víctor wederom een regieopdracht aan van een onafhankelijk toneelgezelschap. Ditmaal waagde hij zich aan een bewerking van Entertaining Mr. Sloane, een stuk van Joe Orton, een Brits auteur en toneelschrijver, uitgevoerd door La Compañia de los Cuatro Entertaining Mr. Sloane gaat over een jongeman, Mr. Sloan, die in een pension woont dat beheert wordt door vader Kemp, dochter Kath en zoon Eddie. De zoon is homoseksueel, de dochter een hoertje. Er ontstaat een stormachtige verhouding tussen Kath en Sloane, gadegeslagen door de oplettende en achterdochtige Eddie. Vader Kemp, een nare, lugubere man, wordt op zeker moment vermoord door Sloane. Eddie en Kath komen tot een akkoord met Sloane: ze geven hem niet aan bij de politie als ze ieder twee weken volledig de baas over hem mogen zijn.
De pers was lovend. El Mercurio schreef: ‘[…] Het is deze keer niet eens de verdienste van de spelers, die zoals subliem spelen, maar vooral van de regisseur Víctor Jara, die de spanning van het stuk en de interactie tussen de spelers op een onwaarschijnlijk hoog niveau weet te krijgen.’
Vietrock
Vanaf 1968 begon Víctor in zijn theaterwerk meer vrijheid te zoeken.Theater moest vernieuwend zijn, met aandacht voor alternatieve ideeën, methoden en technieken en gericht zijn op een nieuw publiek: sloppenwijkbewoners, arbeiders en studenten. Zijn doel daarbij was het maken van mobiele producties, zodat het theater de mensen kon opzoeken in plaats van andersom.
De eerste mogelijkheid daartoe was Viet Rock, oorspronkelijk een productie van een aantal toneelkunstenaars van het Open Theatre in New York. Het stuk handelde over de Amerikaanse oorlog in Vietnam, die op dat moment volop woedde en kon rekenen op wereldwijde belangstelling door filmbeelden en foto’s van bombardementen op Vietnamese steden en dorpen en napalmaanvallen op de burgerbevolking. Víctor werd gevraagd de regie van dit stuk op zich te nemen. Onder zijn regie werd Viet Rock een collectieve improvisatie; het bezat geen logische, chronologische structuur, maar gaf een totaalbeeld van de geboorte, het leven, de passies en de dood van de hoofdrolspelers in deze oorlog: Vietnamese kinderen, vrouwen en mannen; Amerikaanse moeders en kinderen.
TET
Víctor begon andere wegen te zoeken om zijn doel – mobiel en experimenteel theater – te bereiken en richtte daartoe zijn blik op nieuwe, onafhankelijke theatergezelschappen. Een daarvan was het TET, Taller de Experimentación Teatral (Experimentele Theaterworkshop). TET, opgericht in 1967 door o.a. een oude bekende, Enrique Noisvander. Het was een van die vernieuwende theaterbewegingen die eind jaren ’60 overal ter wereld als paddenstoelen uit de grond schoten. Deze bewegingen hadden gemeen dat ze op zoek gingen naar theatervormen die ‘anders’ waren en waarin de zienswijze van Antonin Artaud naar voren kwam. De acteurs waren jong, student en actief betrokken bij politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Met hen kwam de verbeelding aan de macht. Ze werkten en leefden in de geest van de uitspraak van Che Guevarra ‘Wees realist, eis het onmogelijke’.
Antigone
Vanuit het TET werd
Víctor werd gevraagd om Antigone te regisseren,  een Griekse tragedie, geschreven door Sophokles. Het stuk gaat over de strijd tussen de goddelijke en de menselijke wetten. Hij nam niet de originele versie van Sophokles als basis, maar een bewerking van zijn geliefde regisseur Bertolt Brecht. Daar waar Brecht zijn versie liet beginnen in het Berlijn van begin 1945 en de decadentie en het verval van de nazi’s benadrukte, legde Víctor in zijn proloog juist de nadruk op broedertwist, door de dodelijk strijd tussen Polynikes en Eteokles te tonen. Het was een directe verwijzing naar de ‘broedertwisten’ binnen de Chileense samenleving, waarvan de naderende presidentsverkiezing in september 1970 het hoogtepunt zouden vormen. De vraag was immers wie in dit sterk gepolariseerde land Eduardo Frei als president ging opvolgen.
Zwel dramaturgisch (een ‘kaal’ decor) als muzikaal (een groot metalen hek dat acteurs gebruikten om hun woede, verdriet en vreugde mee te kunnen uiten) was het een zeer modern stuk. .
Om het publiek nadrukkelijk te betrekken bij de voorstelling liet Víctor een zelfs een paar roofvogels rondvliegen! Ana Reeves, indertijd een 21-jarige actrice die de rol van Antigone speelde: ‘Hiermee wilde hij de sfeer van ontbinding en verval benadrukken. Het lijk van Polynikes lag voor de stadsmuur en de vogels ‘des doods’ zwermden rond, niet alleen rond het lijk, maar ook in de stalles van het theater, waar ze zich vastgrepen in het rode pluche van de fauteuils; hun schrille gekrijs was overal te horen.’
Antigone is het laatste toneelstuk dat Víctor Jara regisseerde voordat hij zich volledig op de muziek wierp.